Het is nog een vage zwempartij over wat je als architect nou eigenlijk kunt bijdragen aan een verschijnsel dat het ook best zonder architectuur kan stellen. Sterker nog: het zonder architectuur stelt.
De conclusies van onder meer het BNA-onderzoek – om niet opnieuw het wiel te gaan uitvinden- over krimp laten zien dat belangrijke voorwaarden voor enige strategische veranderingen zijn gelegen op vlakken van financiering en bestuur. En… wat doe je daar dan mee?
Wat we gezien hebben is dat er initiatieven zijn om voorzieningen en sociale bindingselementen in een dorp – zoals sportvoorzieningen, maar ook een school of een dorpshuis – in eigen beheer te nemen. (Drieborg). Een nieuw dorpshuis -als social binder- ontwerpen lijkt, evenals andere gebouwde adepten van nieuwe visies, zoals alweer een nieuw type school – de onderwijsvisies buitelen over elkaar heen- met de overvloed aan bestaande gebouwen een vorm van kapitaalvernietiging.
Er worden nieuwe, ecologische en duurzame landbouw en landbouwproducten ontwikkeld (Pekela). Een fantastisch initiatief ingezet door een bevlogen ondernemer, weliswaar nog met subsidies, maar met een enthousiasme waar Pekela in één klap rijk van is geworden! Hoe kan zo’n man NIET in de weg gezeten worden? En, hoort hij niet namens Nederland op de wereldtentoonstelling in China te figureren? Nog een boost voor Pekela?
De vraag rijst of economische ontwikkelingen los te koppelen zijn van de kijk op krimp. Hebben we invloed op bijvoorbeeld de overvloedige geldstromen? Zoals Floor de Sera ons vertelde: Voor een Topdorp is geen geld. Voor groen is geld genoeg. Sterker nog – interpretatie van de schrijver-: er worden rampscenario’s mee gesubsidieerd. In Amsterdam met een gasmasker op wonen, en in Groningen door de bomen het bos niet zien. Omdat last but not least, rood rood blijkt te blijven en groen groen.
Is dat dan zo erg? Is Nederland één grote stad met hier en daar een mooi park waar je kunt ademhalen?
Als dat zo is kan krimp hier en daar geen kwaad, het schept ruimte. Een park dat steeds groter wordt, en dan weer kleiner, al naar behoefte – van welke komaf dan ook – ? Een park met ruimte voor ruïnes zonder hekken eromheen, de verlaten huizen die worden opengesteld voor de jeugd – hangen is heerlijk-, de ondernemer die vruchtbare akkers in beslag neemt voor zijn cradle to cradle landbouwproductie.
En dat alles bereikbaar en toegankelijk met een gratis uiterst dicht en frequent net van openbaar vervoer, zodat elke plaats in stad Nederland voor iedereen toegankelijk en bereikbaar is? Is daar een potje voor? Het scheelt bergen administratie, dat lijdt geen twijfel. Als voor elke woning die niet gesloopt wordt 50.000 euro wordt toebedeeld aan zo’n netwerk, hoe ver kom je dan? Of als voor elke boom die niet geplant wordt, ze groeien vanzelf ook wel, 2000 euro wordt gestort in een gemeentepotje waarmee elke burger thuis gratis toegang krijgt tot internet en digitale onderwijsvoorzieningen, hoe ver kom je dan?
En hoe kun je dat alles sturen? Of hoe kun je dat alles laten zien?
Op allerlei sites, blogs, bij onderzoeksgroepjes over krimp bestaat een tendens om krimp te relateren aan het verschijnsel van de “social leftovers”. De zielenpieten die over blijven: grijze ouderen of verveelde jongeren, direct gekoppeld aan laag-opgeleid en “sociaal” kansloos. Hoog-opgeleid heet daar sociaal-kapitaal. Maar is dat wel zo? het lijkt eerder een verwarring van begrippen. Neem toegankelijkheid tot voorzieningen en sociale verworvenheden als gezondheidszorg en onderwijs als uitgangspunt voor het begrip sociaal. Dan krijg je een heel ander beeld. Dan zie je namelijk dat hoog-opgeleid helemaal niet automatisch sociaal betekent. Sterker nog: het zijn de hoog-opgeleiden die niet de kans zien de toegankelijkheid tot voorzieningen te garanderen.
En hoe zit het ruimtelijk. Is een groen dorp bij voorkeur aantrekkelijker? Steden zijn doorgaans ook niet groen, maar wel voor het merendeel aantrekkelijk als woonplaats.
En hoe zit het door de eeuwen heen? Hoe kort of langdurig is een verschijnsel als krimp op het platteland? Als je het over twee eeuwen bekijkt is er dan wel sprake van krimp? Of zijn we gewend geraakt aan korte termijnvisies?
Zijn we op zoek naar de factor X die maakt dat een krimpdorp aantrekkelijk wordt? Een aanbeveling die ook al eerder is gedaan: bekijk het per plaats en per context. Ook rondom Leipzig aan de hand, momenteel IBA in Saksen, voormalig DDR – ervaringsdeskundigen op het gebied van krimp-.
Krimp gedraagt zich steeds anders. Gebieden of steden waarvan we denken dat ze niet krimpen blijken dat ineens wel te doen. Krimp – omdat we er nou eenmaal een naam aan hebben gegeven- is een soort kameleon, die, net als je denkt hem bij zijn staart te kunnen grijpen, van kleur verandert zodat je opnieuw moet gaan zoeken. En daar is meteen een crux geraakt. Elk beleid dat je erop afstemt is al van kleur verschoten voordat de uitvoering ervan van start gaat. Hoe kan bestuur en beleid zó zijn dat je moet blijven kijken wat er gebeurt. Hoe kunnen ruimtelijke interventies en strategieën zó gemaakt worden dat ze kleurveranderingen in zich op kunnen nemen? Rood, groen of blauw, maar ook het hele spectrum wat daar tussen ligt? En zeker ook: hoe kan het, als je het lokaal bekijkt, zo gedaan worden dat de strategieën meerdere wethouders overleven?
Kan de Blauwe Stad nog iets anders worden dan een verlaten speeltuin voor bouwbedrijven die gretig inspelen op het historische onbenul van de woontypologieën?
En kan Pekela nog iets anders zijn dan een uitgemergelde steenklomp waar niets mag, maar wel moet – zoals de bouw van twee nieuwe woningen voor elke drie gesloopte. Een prognose van benodigdheden gebaseerd op een raadselachtig onderzoek?
Of moet Drieborg toch het geschenk krijgen van een Topdorps Huis, ontworpen door een Toparchitect?

Geen reacties tot nu toe ↓
Nog geen reacties... reageer door het formulier in te vullen.